• Claudia Maser

Nummer vijf


Vanuit de overtuiging dat een mens geboren is om dienstbaar te zijn aan de aarde, zijn wij alle acht op de wereld gezet om op het land te werken. ‘Wanneer het je niet bevalt, kun je gaan’. Ik ben het vijfde kind van Johan en Mirjam en vertrekken ging regelmatig door mijn hoofd, maar het leek me onwaarschijnlijk dat er een onbekende deur open zou zwaaien en dat ik mijn magere lijf tegen een zachte boezem kon drukken. Het leek een kwestie van volhouden, doorwerken, ademen en niet nadenken. Over zes jaar was ik volwassen, dan zou het makkelijker zijn.

We lagen in stapelbedden op een tochtige zolder en in de hoek stond een houten ledikant met daarin een wollen deken en een stapeltje katoenen luiers. Iedere zondagavond hoorden we het gehijg van onze ouders. Mijn zus, nummer twee, geloofde in een soort God. Zij had ons geleerd om op zondagavond de handen te vouwen en onze diepste wens uit te spreken, de almachtige zou het horen. Tot Johans laatste kreun fluisterden wij ons gemeenschappelijke verlangen, ‘laat het alstublieft een zinloze zaadlozing zijn, laat het alstublieft een zinloze zaadlozing zijn’. Minder hongerige monden, betekende meer aardappels op ons bord. Tot nu toe werkte het, al drie jaar was het houten ledikantje onbeslapen.

Die zondagavond onweerde het met lange weerlichten. De wind rukte aan de luiken en het hijgen was overgegaan in luid gesnurk. Aan de diepe ademhaling van mijn broers en zusjes te horen, sliepen zij ook. Ik luisterde naar het ruisen van de kastanjebomen en volgde mijn blote voeten naar beneden. Zomaar ineens was het tijd om te gaan. Misschien was het de ijzige stilte, het dagelijks harde werk, de straffen, het dwingende thuisonderwijs, of omdat het gewoon de juiste avond was om te gaan. Pas toen ik op het erf stond, bemerkte ik de regen. Mijn wit katoenen nachthemd plakte al snel tegen mijn naakte lijf en mijn haren hingen als vergeten verjaardag slingers rond mijn hoofd. Iedere heldere regendruppel, voelde als een koele golf bevrijding. Mijn benen zouden mij de weg naar een beter leven wijzen en de natte aarde zou mij dragen totdat dit doel bereikt was. Nieuwsgierig liep ik dwars door de weilanden naar de hoofdweg en eenmaal in het centrum volgde ik de borden richting de snelweg. Mirjam had verteld hoe walgelijk het grijze snelle asfalt was, gemaakt voor werkslaven of suïcide maar ik vond het prachtig. Auto’s suisden voorbij en bliezen mijn nachthemd omhoog. Mijn tong gleed over mijn lippen en liet een spoor van verlangen en avontuur achter.

Na een minuut of vijftien, stopten er blauwe zwaailichten op de vluchtstrook, een vrouw in uniform kwam met een deken op me af rennen en sloeg hem om me heen, ‘kind toch, wat doe je hier? Kom maar gauw in de auto. Je bent zo weer thuis. Wat is er gebeurd?’ Ik schudde mijn hoofd en zei niets. Op het bureau kreeg ik een handdoek, een zacht joggingpak, dikke sokken en warme chocolademelk. Het beste wat ik ooit had geproefd. Toen ze eenmaal door kregen dat ik niet zou praten werd er een foto van mij gemaakt. Ik wist dat dit zinloos was, Johan en Mirjam zouden mij nooit als vermist opgegeven en verder kende ik alleen mijn broers en zussen. Voor het eerst voelde ik me ontspannen bij het zien van een bed. ‘Kom maar, hier kun je vannacht slapen, ik blijf in de buurt en morgen zien we weer verder’. De vrouw met het zachtroze gezicht kon niet vermoeden dat zij de eerste was die mijn haren streelde totdat ik sliep.

De volgende ochtend kreeg ik ontbijt dat ik zonder te proeven naar binnen schrokte en weer wat later werd ik opgehaald door twee glimlachende vrouwen van jeugdzorg, ik had geen idee dat er zo’n organisatie voor kinderen bestond. Hoe vriendelijk hun gezichten en woorden ook waren, ik besloot dat zwijgen mijn beste kans zou zijn. Voor geen goud wilde ik terug. De weken daarna ging ik van het ziekenhuis naar speelkamer, van boswandeling naar strandwandeling, van individuele gesprekken naar groepsgesprekken en zelfs naar muziektherapie, maar ik hield mijn lippen stijf op elkaar. Na zes weken werd het min of meer geaccepteerd dat niemand wist wie ik was en dat ik niet sprak. Ik kreeg een mooie naam, Anna. Een begeleider had hem bedacht omdat het ‘genade, lieflijke’, betekent en dat paste bij mijn glimlach en fijne gelaatstrekken. Ik bloosde van zoveel mooie woorden en omarmde in stilte mijn naam. Alleen op de wc durfde ik zacht de klank te proeven, nummer vijf was voorgoed verdwenen. Ook kreeg ik de officiële achternaam ‘Geluk’, ik had hem zelf opgeschreven en iedereen was akkoord. ‘Anna Geluk’. Mijn geboortedatum werd ‘1 januari 2001’. In werkelijkheid was ik een jaar ouder maar ik was er blij mee want op deze dag lichtte en knalde het vuurwerk speciaal voor mij. De schaal met oliebollen, de sterretjes, de verwachting van het nieuwe, met z’n allen voor de tv en het aftellen van de klok, het was magisch en ik had geen betere geboortedag kunnen wensen. Het zwijgen beviel me goed, net als mijn leven in een gezinshuis. Ik was de oudste van de zes andere kinderen. We hadden allemaal een eigen kamer, de begeleiding was altijd vrolijk en het eten was overvloedig en gevarieerd. Iedere maaltijd propte ik zo snel als ik kon naar binnen en pas na een paar maanden kreeg ik door dat niemand het van mijn bord zou halen. Het was van mij, net als mijn kamer en de spullen die daar stonden. De jaren daarna groeide mijn vertrouwen en de behoefte naar verbinding. Steeds vaker verbleef ik in de gemeenschappelijke woonkamer en zocht het gezelschap van de anderen. Ik leerde allerlei spelletjes, de bijpassende grapjes en ik ontdekte de kracht van de verbeelding. In mijn hoofd reisde ik over de wereld, sprak alle talen en heel soms liep ik in gedachten naar huis om daar mijn ouders uit te schelden en de deur in te trappen.

Ook op school sprak ik niet maar het leren ging me makkelijk af en na twee jaar hoorde ik bij de besten van de klas en mocht ik naar het gymnasium. De verandering verliep zonder problemen en ook hier werd mijn zwijgen geaccepteerd. Op mijn zestiende verjaardag kreeg ik een dagboek en een zilverkleurige pen waar mijn naam in gegraveerd stond en voor het eerst sprak ik als vanzelf een zacht, ‘dank je wel’.

Joska´s mond viel open, ‘je praat, Anna, je praat!’. Iedereen juichte en lachte en in de overdracht werd groot ‘ANNA HEEFT ‘DANK JE WEL’ GEZEGD!’ geschreven.

Joska was mijn mentor en ging vanaf dat moment met mij naar logopedie.

Na al die tijd durfde ik mijn eerste woorden weer uit te spreken maar ik vertelde niemand waar ik vandaan kwam. Ik zag ooit in een rapport ‘geheugenverlies’ staan, dat was wat mij betrof een prima diagnose en riep de minste vragen op. Mijn stemgeluid verbaasde me, het was dieper dan vier jaar geleden en had een hees randje maar dat kon nog veranderen, zei de logopedist. Het sprekende leven bleek veel voordelen te hebben, ik werd zichtbaarder in het huis en op school en durfde voor het eerst vragen te stellen. Bij iedere vraag werd mijn honger naar feiten en antwoorden maar ternauwernood gestild. Naarmate de tijd verstreek en ik mij inschreef voor de studie Rechten in Leiden, dacht ik steeds vaker aan mijn broers en zussen.

Ik was bijna achttien, niemand kon me nog iets doen, maar toch duurde het nog een jaar voordat ik ze bezocht. Nummer drie deed open en gaf me een onbeholpen hand. ‘Johan en Mirjam zijn in de stal, zal ik ze halen?’ Ik schudde mijn hoofd, ‘ik wilde alleen jullie even zien’. Langzaam stroomde de donkere gang vol met mijn broers en zussen. Ze keken me aan alsof ik van Mars kwam en zo voelde ik me ook. Aan de twee kleintjes zag ik dat de zondagswensen niet geholpen hadden. Ik schrok van alle bleke gezichten, hun uitstekende schouders en herkende het zachte gemompel van vroeger. Ze waren niet gewend om zich te uiten of om vragen te stellen. Uit mijn rugzak haalde ik een grote zak fruit die door de jongsten uit mijn handen werd gegrist. Ik nam ze niets kwalijk, keek nog een keer naar hun ingevallen snoetjes en draaide me om. Johan en Mirjam zag ik pas jaren later weer, toen ik met kaarsrechte rug de rechtszaal in liep.


Jury verhalenwedstrijd 'Verhaal van de maand':


"Het is een literair sterke tekst, met soms wat verwarrende zinsconstructies (mijns inziens). Sterke zinnen wisselen af met chaotische en onrustige vormen. Toch intrigeert het verhaal me. Het roept vragen op. Ik zou meer willen lezen (een langer stuk hiervan). Wat meer inhoud zou me helpen er wat meer in te komen. Kortom: potentie voor een wat langer kort verhaal.",


"Zwaar verhaal, veel beter dan gemiddeld, maar niet heel origineel geschreven. Wat ongeloofwaardig - Anna.dit lijkt erg door een man geschreven te zijn"


"Indringend en goed ge- en beschreven persoonlijk verhaal"




44 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Schaakmat