• Claudia Maser

Jacoba, 28 januari 1416


Afgelopen nacht heb ik iets akeligs meegemaakt en ik kan alleen maar hopen dat het een droom was. Met een fakkel in mijn hand liep ik in mannenkledij door de smalle straatjes van Woudrichem. Ik was alleen en het was pikkedonker. De modder zoog onder mijn voeten en met moeite trok ik mijn laarzen uit de zwarte aarde. Het stonk naar oud bloed en visafval. In mijn haast keek ik niet goed uit en trapte op een scherpe punt, het bleek de doorn van een gouden roos te zijn die zich dwars door mijn laars had geboord. Met bonzend hart werd ik bezweet wakker en inspecteerde mijn voet. Tot mijn schrik zat er een diep wondje dat ik nog niet eerder had gevoeld.


Aangezien Jean in Frankrijk is, wilde ik direct naar mijn ouders rennen, maar halverwege de gang bedacht ik me. Ik ben nu 15 jaar en moet ondertussen mijn eigen boontjes kunnen doppen. Ik ben terug naar mijn slaapvertrek gegaan en heb een wachter gevraagd om voor mijn deur te posten. Vroeg in de ochtend opende ik voorzichtig mijn deur en hij vertelde mij dat hem niets vreemds opgevallen was. Ik ben trots dat ik mijn eigen nachtmerrie heb opgelost en vraag vanavond aan vader of er echt gouden rozen bestaan.



14 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven